Roelof en het verdwenen eiland

Door Annie van Roekel

Annie van Roekel


Met een oorverdovend geraas beukte het motorschip M.S. Noordereiland tegen de betonnen voet van de Erasmus brug. Brokken beton en stukken weg vlogen in het rond. De poten van de pylonen knakten als lucifershoutjes, tuien knapten en wapperden als losgeslagen vlaggentouwen in de wind. Het water van de Maas golfde over de kades, Spido Boten sloegen tegen de kant. Het water in het zog van het schip kolkte en bruiste door de slagen van de machtige schroef en de Willemsbrug, de Koninginnebrug en de Hef stonden te trillen op hun grondvesten. Even later stonden ze verlaten in het donker van de nacht, bijgelicht door de volle maan, zonder eiland. Bewoners van de Boompjes en de Kop van Zuid schrokken wakker. De lichten gingen aan en ze keken door het raam naar buiten. Hun monden vielen open en ze wreven zich de ogen uit. "Dit kan niet," zeiden ze tegen elkaar, "het is vast een droom. Kom, we gaan weer slapen. Morgen is alles weer gewoon" en ze kropen weer in bed, want de volgende dag moesten ze aan het werk. Toen de wekkers gingen een paar uur later waren ze het alweer vergeten en ze namen hun douche en hun ontbijt en ze stapten met slaperige hoofden op de fiets of in de auto om naar het werk te gaan. Net als alle andere morgens. Tot ze bij de bruggen kwamen en de brede rivier. Weer wreven ze zich de ogen uit en keken nog eens. En nog eens. En steeds meer mensen kwamen aan. Het was een drukte van jewelste. Er werd gebeld en getoeterd en de mensen wilden het water over. Want ze moesten op tijd op hun werk zijn. Ze werden boos. Wat een onzin, mopperden ze, je moet toch gewoon over het water kunnen! Dat kon iedere morgen, dus nu ook, vonden ze. Maar het kon niet. Tussen de bruggen stroomde het water van de rivier, alsof het nooit anders gedaan had. Er was geen eiland meer te zien en waar de Erasmusbrug had gestaan stak nu een grijze poot van de pyloon uit het water omhoog en hier en daar lag een brok beton. steeds meer mensen, auto's en fietsen stonden aan de kade. "Bel de burgemeester!" riep een boze man, "hier moet wat aan gedaan worden ik kom zo veel te laat op mijn werk." Er klonk instemmend gemompel en de burgemeester werd gebeld. "Hoezo?" bulderde hij nog half slapend aan de telefoon, "hoezo, het Noordereiland weg, wat een onzin !" "Dat zeggen wel meer mensen hier, burgemeester, maar het is echt waar, U moet komen." Mopperend legde de burgemeester de hoorn op de haak. Hij had niet veel op met het volk. En al helemaal niet wanneer het de avond daarvoor laat was geworden en hij zulke interessante contacten had gelegd. "Ga nou maar," zei zijn vrouw.

 

Toen de burgemeester aankwam op de Boompjes, was alles al geregeld. wat kon varen was ingezet: watertaxis, spidoboten, veerponten, rijnaken, Fastferry's, Hovercrafts, sleep- en partyboten. Smit-Tak had er zelfs een drijvende kraan, de Taklift 1, bijgehaald. De mensen verdrongen zich rond de steigers om zo snel mogelijk mee te kunnen naar de overkant. Fietsen mochten mee, auto's moesten blijven staan. De burgemester stapte uit zijn donkerblauwe Mercedes en keek even in de spiegelende motorkap of zijn burgemeestersketting goed over de bontkraag viel. Hij stapte op een verhoging, stak zijn dikke buik vooruit en schraapte zijn keel: "Dames en heren, inwoners van Rotterdam", begon hij plechtig, maar niemand luisterde. De mensen hadden het veel te druk. Ze wilden naar de overkant, aan het werk. Daarvoor waren ze uit bed gekomen. "Dames en heren" sprak hij nog een, luider nu, "blijft u vooral rustig. Er is niets aan de hand. Alles komt goed. Wij zullen direct maatregelen treffen." Maar de mensen liepen langs hem heen alsof hij niet bestond. "Hee zet die kar eens weg, je staat in de weg, man", riep een vrouw met een schelle stem. Het hoofd van de burgemeester werd rood. "Weet u wel, tegen wie u het hebt" sprak hij nijdig, maar de vrouw was al verdwenen in de menigte. Woedend stapte hij van de verhoging af. "Wat denken ze wel." hijgde hij, terwijl hij zich in de auto hees en de chauffeur de deur achter hem dichtsloeg, "ondankbaar volk. Terwijl ik zoveel voor ze heb gedaan. Hier horen ze nog meer van. Rijden, Joop!" De chauffeur startte de wagen en reed weg, veel te hard, over de stoep, over de Schiedamsedijk en over de Coolsingel naar het stadhuis. Danig uit zijn humeur belde de burgemeester zijn vrouw, die lekker in haar bed zat te ontbijten. "Trek het je niet aan, schat," stelde zij hem gerust, terwijl zij de kersenjam van haar vingers likte, "vanavond zal ik lekker voor je laten koken." Dat kalmeerde hem. Hij installeerde zich op zijn burgemeesterszetel, liet een kopje koffie brengen en sukkelde in slaap.

 

Met zijn handen in zijn zakken slenterde Roelof moedeloos langs de Willemskade en schopte een leeg bierblikje voor zich uit. Hij was nu al een paar dagen in Rotterdam en niemand wist iets over het Noordereiland en ook niet over zijn broer Bastiaan. Hij schopte extra hard tegen het blikje dat met een boog het water in vloog, rakelings langs Joris Koot, de oude schipper, die op een bankje over het water zat te kijken. "Hé apekop, wil jij wel eens uitkijken?" "Sorry, mijnheer, ik zag u niet." "Zag mij niet? je moet beter uit je doppen kijken." "Sorry mijnheer." Het huilen stond Roelof nader dan het lachen. Hij ging op de andere hoek van de bank zitten en staarde voor zich uit. Hij miste zijn broer verschrikkelijk. Misschien was Bastiaan al dood. Ze hadden zo vaak geprobeerd te bellen, maar steeds kregen ze die hoge pieptoon en de e-mailtjes naar hun tante kregen ze allemaal terug met de mededeling dat het adres onvindbaar was. "Wat is er met jou aan de hand?" Roelof schrok op, veegde met zijn mouw zijn ogen droog. "Nou?" "Mijn broer is zoek. Hij logeerde bij mijn tante op het Noordereiland. En dat is weg." Joris keek Roelof een tijdje zwijgend aan. "Daar bemoei ik me niet mee," zei hij toen kortaf, "dat gaat mij niks aan!" Hij schoof zijn pet naar achteren en krabde zich op zijn hoofd. "Ja maar, mijn broer..." "Wat heb ik daarmee te maken? Zoek dat zelf maar uit. lk heb geen zin om mij met dat eiland in te laten. Sinds die vermaledijde piraat daar zit ... toen hij daar kwam wonen, heb ik de kuierlatten genomen. Heel mijn familie zit daar nog." Joris kneep zijn lichtblauwe ogen tot spleetjes. "Ik heb ze gewaarschuwd. Dus toch ... ik wil daar niks mee te maken hebben en als ik jou was jongen, zou ik me er ook maar niet mee bemoeien." De lantaarns floepten aan. Een koude windvlaag deed de plas water voor de bank rimpelen. Over de Maas voeren watertaxi's en partyboten af en aan om de mensen over te zetten. Midden in de drukte was een grote hijskraan in de weer met een brok Erasmusbrug. Binnenschepen lagen te wachten tot ze weer verder konden.


"Het was windstil, al weken, we hadden niet veel hoop meer." Joris Koot keek strak voor zich uit, hij fluisterde hees, alsof zijn keel weer de droogte voelde en de dorst, "en er was al een knokpartij geweest om een mok lauw water. Ik heb er twee moeten kielhalen, tussen de haaien door. Midden op Grote Oceaan zaten we, net onder de Tonga-eilanden. Spiegelglad was het water, zeg ik je, spiegelglad, de zon schroeide op het dek, onze kelen schuurden bij iedere ademhaling. Het zou niet lang meer duren of er zou een schip met lijken ronddrijven." In de donkere plas dobberde en schommelde een herfstblad met de wind mee. Roelof stopte zijn handen diep weg in zijn broekzakken. Joris Koot vertelde verder. "Midden op de dag was het en als ik het zelf niet mee had gemaakt, zou ik het niet geloven. De zon stond loodrecht boven het schip. Schaduwplekjes waren aan dek niet meer te vinden. Ineens begonnen uit het niets de zeilen te klapperen. Het waaide niet, ik zweer het je, het schip begon te kraken en iets verderop," Joris wees met zijn blauwgeaderde rechterhand, "ongeveer van hier tot aan het midden van de rivier, begon het water te golven en te schuimen en daar uit het niets - als ik het zelf niet gezien had - kwam een zwart gevaarte boven water. Een zwart gevaarte, zeg ik je, en daarbovenop schimde die verdoemde piraat, die Joe. lk mag hangen als ik lieg. Mijn schip begon zwaar te hellen, ik hield me nog net staande aan de reling. Mijn mannen rolden over het dek als losgeslagen vaten rum, te zwak om zich ergens aan vast te houden. Één sloeg erover boord, God hebbe zijn ziel. Een halve minuut later verdween dat vervloekte ding weer onder water en hingen de zeilen van mijn schip weer even slap en broeierig als daarvoor." Het bleef een tijd stil. Bladeren dwarrelden over de natte kadekeien. Roelof huiverde en zag het witte gezicht van de oude schipper, die een platvink uit de zak van zijn duffelse jas tevoorschijn haalde en er een flinke teug uit nam voor hij, nauwelijks verstaanbaar, vervolgde, "ik had die Joe zelf, jaren daarvoor, van dek gegooid. Midden in de oceaan. Hij maakte te veel amok."


Ademloos had Roelof geluisterd naar het verhaal van de oude schipper. Wind en regen rimpelden de steeds groter wordende plas voor zijn voeten. De kou, die hij was vergeten, drong nu door zijn trui en zijn hemd en het leek wel of het koude regenwater ook door zijn aderen liep. Hij rilde. "Die piraat met zijn rare fantasieën en zijn zwarte kisten. Nee, die is niet van deze wereld. Ik heb te doen met die gasten op dat eiland, maar ik heb ze gewaarschuwd. Maar nu ga ik, want ik heb al veel te lang gepraat." Joris Koot zette zijn kraag omhoog en stond op. "Maar ik moet mijn broer vinden! U moet me helpen." "Dat zoek je zelf maar uit, ik bemoei me er niet mee." Roelof keek de oude schipper na, die weggedoken in zijn jas om de hoek verdween. Het was donker geworden. Er was niemand meer op straat. De natte lege banken langs de kade glommen in het licht van de lantaarns. Het regenwater liep uit zijn haar langs zijn gezicht en nek zijn kraag in. Hij kon hier zo niet blijven zitten, wist hij. Maar waar moest hij naar toe? Terug naar huis wilde hij niet. Niet voordat hij Bastiaan had gevonden. Ineens hoorde hij voetstappen achter zich. Geschrokken draaide hij zich om. Het was de oude schipper. "De Denker," zei hij, terwijl hij zijn hand zwaar op Roelofs schouder legde. "De Denker?" vroeg Roelof. "Ja, de Denker. Misschien kan die je helpen. Hij woont ergens in Antwerpen, waar weet ik niet, maar als je naar de Denker vraagt dan wijzen ze je wel de weg. Zijn hele leven al denkt hij erover na om vooruit te komen. De vreemdste apparaten verzint hij. En volgens mij had die piraat contact met hem. Het fijne weet ik er niet van." Voordat Roelof nog iets vragen kon, had Joris Koot zich omgedraaid en verdween hij voor de tweede keer om de hoek. Deze keer kwam hij niet meer terug. (wordt vervolgd) <

Home